dinsdag 28 maart 2017

::: Zaailing #4 Sapling :::

Vorige week, van het station op weg naar huis, kwam ik 's nachts een marter tegen. Ik bleef meteen staan om het tafereel beter te bekijken maar in een flits hupte het beestje snel weer weg... Ik had er nog nooit eentje in levende lijve gezien. Zou de buurman dan toch gelijk hebben dat zijn kippen door een marter de kop afgebeten werden? En dat het ventiel van de kruiwagen door deze lieverds afgeknabbeld werd?
Op het internet kwam ik dit filmpje tegen, steenmarters in actie: schattig toch?


Inspiratie genoeg dus voor een nieuwe zaailing: 

Steenmarter in de Nieuwstraat


Ontmoeting


Muurklimmer
Ventielknabbelaar
Kippenverslinder
Spookje

Tussen onze vestingen van steen voel jij je thuis
zoals je naam het fluistert

De straat is stil waar jij passeert
en watervlug
weer verdwijnt





ZAAILINGEN is een samenwerking tussen schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten, waarbij tekenaar en schrijfster mekaar afwisselend uitdagen. Zij schrijft bij de beelden en hij tekent bij de woorden.







Encounter

Wall climber
Valve muncher
Poultry devourer
Ghost

Among our strongholds of stone you feel at home
just like your name portends

The streets are quiet where you pass
and like quicksilver
disappear




zondag 12 maart 2017

::: Zaailing #3 Sapling :::

De vlucht 


Er is iets geruststellends aan de manier waarop de voorbijglijdende witte strepen op het wegdek niet willen afstemmen op het ritme van zijn hartslag. Hoe hij ook probeert om zich één te voelen met de structuur van het stuur onder zijn handpalm, de ronkende wagen, het asfalt dat als een lang, onverschillig lint van teer onder hem wegschiet, hij en de reis willen niet samenvallen.
Sommige overgangen zijn niet te vermijden, daar heeft hij zich bij neergelegd. Om ergens te zijn, moet je er heen willen gaan. Hij wenste alleen dat hij er al was.

Hij heeft het voor de zoveelste keer verdragen: de drukte van de snelwegstations die over hem heen viel zodra hij moe gereden het autoportier openzwaaide, de plakkerige vuilnisbakken, de rondpikkende kraaien in de bermen, de gore toiletten en de drenzende kinderen tussen de rommel aan de picknicktafels.
Na dat bombardement is de rit hervatten bijna een opluchting.

Zijn vrouw bestudeert de kaart en de kinderen slapen achterin. Het gekwek van de radio ging honderd kilometer geleden al uit. De monotonie van de rit is troost en opgave tegelijk.

Ze hadden het erover voor ze vertrokken: overnachten in een of ander hotelletje halverwege, of doorrijden. Hij houdt niet van tussenstops, als het toch moet, dan liever de korte pijn.
Maar de korte pijn duurt lang, de tijd verstrijkt langzaam en in de stilste hoekjes vergaart zich steeds meer ruis, als stilstaand water in de oksel van een modderige rivier. Ze wisselen van chauffeur. Wisselen nog een keer.
In zijn hoofd draait dezelfde conversatie telkens opnieuw.
‘Een rode driehoek betekent gevaar, hé papa?’
‘Dat klopt.’
‘Zijn de herten hier dan gevaarlijk?’
Hij doet zijn best om niet te glimlachen. ‘Dat zeggen ze wel eens, ja.’
‘Wat doen we, als we zo’n gevaarlijk hert tegenkomen?’
‘Maak je geen zorgen. Over een paar kilometer is het gevaar geweken.’


Ze stoppen net lang genoeg om te wisselen van chauffeur. Hij is blij dat het laatste stuk voor haar is.
Tegen dat de bergen opdoemen, heeft hij de staat bereikt waarop hij zijn ogen nog wel open heeft, maar niet meer registreert wat hij ziet.

Als de lucht ijler wordt met de hoogte, sluit hij de ogen. Hij zet zich af. De tak veert terug.
Dan is er alleen nog de leegte die hem vangt, een onzichtbaar net waarvan hij de draden voelt die hij instinctief vertrouwt.

Dit is het land waar hij thuishoort, waarnaar hij verlangt zelfs als hij er al is. De glooiende valleien. De ongenaakbare rotspieken die aan hun ruwe naaktheid genoeg hebben om indruk te maken op wie ze – tevergeefs – wil bedwingen. De meren die nu eens het diepe groen van de hellingen weerspiegelen, dan weer het blauw van de lucht, maar die van bovenaf zilveren spiegels zijn, een oppervlak van rimpelingen waar de zon zich aan vasthecht, een golvend kleed dat zich met vanzelfsprekende elegantie drapeert over dat wat in de diepte rust en wacht.


Hij slaat zijn vleugels uit, voelt hoe de lucht er onderdoor glijdt. De buitenste pennen, de ontspannen opkrullende uiteinden van de vlerken die hij strekt met geconcentreerde precisie, strelen de wind als waren het vingers.

Hij voelt de druk van de zon op zijn rug, de massieve stroom van warme lucht onder zijn buik. Het is een zuil die hem draagt, die hem meeneemt naar hoger, naar de plek waar alles wordt losgelaten, alles overzien.

Het licht lacht in stralen en spat uiteen in zijn borst.






ZAAILINGEN is een samenwerking tussen schrijfster Kirstin Vanlierde en tekenaar Jurgen Walschot.
Zaailingen zijn creatieve scheuten, waarbij tekenaar en schrijfster mekaar afwisselend uitdagen. Zij schrijft bij de beelden en hij tekent bij de woorden.

Zoals elk zaadje groeien deze zaailingen gretig naar het licht,
klein en kwetsbaar, reikend naar hoger.



The flight  

There is something reassuring about the way the white markings on the road don’t want to accord with his heartbeat as they whip past. No matter how hard he tries to feel united with the steering wheel’s skin under the palm of his hand, with the purring car or the asphalt being pulled away under him like a long, indifferent ribbon of tar, he and the journey just don’t coincide.
He has long accepted that the fact that some transitions are inevitable. To be someplace, you must want to make the journey  to get there. He only wished he had already arrived.

He has endured it all for the umpteenth time: the bustle at the highway gas stations washing over him the moment he opened the car door with a tired conductor’s swing, the sticky trash cans, the crows pecking in the embankments, the grueling lavatories and the children whining in the litter-strewn picnic area. After a bombardment of that magnitude, resuming the drive can almost be called relief.

His wife studies the map while the children are asleep in the back. He killed the chattering radio sixty miles ago. The monotony of the drive is both comfort and challenge.

They had discussed it before they left: spending the night in some little hotel along the way, or driving on. He doesn’t like interruptions. If they really need to do this, he’d rather have it over with.
But having it over with is taking a long time. The day is crawling on, ever more static gathering in the quiet corners, like stagnant water in a muddy river’s armpit. They switch drivers. They switch again.
In his head the same conversation plays in a loop.
‘A red triangle means danger, doesn’t it, daddy?’
‘That’s right.’
‘Does that mean the deer here are dangerous?’
He makes an effort not to smile. ‘That’s what they’ll say around here, I guess.’
‘What should we do, if we meet one of these dangerous deer?’
‘Don’t worry about it. Just a few more miles and we’re out of their reach.’

They stop just long enough to switch drivers once more. He is glad the last stretch is hers.
By the time the mountains loom into view, he has reached the state in which he still has his eyes open but he no longer registers what he sees.

As the air grows thinner with the altitude, he closes his eyes. He takes off. The branch rebounds.
There is only the void to catch him now, the invisible web of which he can feel the threads he trusts instinctively.

This is where he belongs, the land for which he yearns even when he has arrived. The sloping valleys. The impenetrable mountain peaks of which the rough nakedness suffices to impress those who – vainly – attempt to subdue them. The lakes, that now mirror the slopes’ deep green, then again the sky’s endless blue, but that from above are mirrors of silver, surfaces of ripples for the sun to attach itself to, a waving cloth draping itself in natural elegance over all that is resting and waiting in the depths below.

He spreads his wings, feels the air rush underneath. The outer pinions, relaxedly curling upwards from the limbs he stretches with pointed precision, caress the wind like fingers would.

He can feel the sun’s weight on his back, the massive current of warm air under his belly. It is a pillar carrying him upwards, taking him higher, to the place where all is released, and all is seen.

The light is laughing in shafts, shattering in his breast.




zondag 26 februari 2017

::: Zaailing #2 Sapling :::




Wat ervoor komt


De stilte die we nauwelijks verdragen
een chanson op het foute moment

Dankbaar zijn
terwijl de ander huilt in je armen

Verlangen naar het luchtruim
jezelf daarboven weten
en vliegen alsof je nooit meer hoeft te landen

Omarmen wat afgeworpen werd
bij gebrek aan beter

© Kirstin Vanlierde



What comes before


The silence we can barely endure
a ballad at the wrong moment

Feeling grateful
as the other cries while you hold him

Longing for the open airspace
knowing yourself up there
flying like you will never have to land

Embracing that which was discarded
for lack of something better


© Kirstin Vanlierde






donderdag 23 februari 2017

zondag 19 februari 2017

zaailing / sapling

Ondertussen alweer enkele jaren terug signeerde ik op de boekenbeurs naast een voor mij onbekende auteur. Tijdens zo een signeersessie is er tussen de krabbels door altijd wel wat tijd om te keuvelen met collega's maar laat dat laatste nu net niet mijn sterkste kant zijn. Daarom altijd spannend wat dat geeft. Maar wat een interessant gesprek was me dat toen. Het bleef me bij en wat later begon ik het werk van deze auteur te lezen. Het voelde als thuiskomen, ... interessante herkenbare thema's die me aanspraken.

En dan was het zomer, een warme dag op een marktje in een klein dorpje in het zuiden van Frankrijk en wie zie ik daar van een koffietje nippen op het marktplein: jawel mijn buurvrouw vanop de boekenbeurs. Wederom een uitdaging, normaal zou ik maken dat ik wegkom maar deze keer trok ik mijn stoute schoenen aan en stapte erop af...

Ondertussen zijn we enkele jaren verder en spreek ik geregeld met Kirstin Vanlierde af (want jawel zo heet de mysterieuze auteur). Via inspirerende gesprekken daagden we mekaar uit, zij via haar woorden, ik met mijn tekeningen. Het kon niet anders of daar moesten boeken uit voortkomen! (Maar meer hierover later) Onlangs kwamen we op het idee om deze experimentjes te delen. Hopelijk beleven jullie er even veel plezier aan als wij. Deze 'zaailingen' zullen zowel op de blog van Kirstin als op mijn blog verschijnen. En als kers op de taart verschijnt er een Engelse versie op deze blog. Laat maar groeien!

Zaailing #1 Komorebi 


Ik hoor je stem, maar ik kan je niet zien.
Je woorden zijn te fel om naar te kijken.

Hou mij bij de hand, omfloers het licht, scherm mij af.
Ik zal je niet vragen om de dingen mooier voor te stellen dan ze zijn. Er is geen plaats voor leugens in dit clair-obscur dat ons teder, genadeloos, lijn per lijn uittekent.

Hoe nietig de rechtopstaande haren op mijn armen. Hoe scherp de geur van oud hout en mos.

Misschien heeft het bos het van bij het begin begrepen, en is de waarheid gewoon te pijnlijk om haar in de ogen te kijken. Wie recht in de zon staart, wordt blind.
Als we haar waarnemen, is het doorheen een membraan van genade, een filter die ons spaart en die ons, tegen dat ze de grond bereikt en alles wat daar ritselt heeft vastgepind onder een laag vergulde stilte, het gevoel geeft dat ze ons liefkoost.

Ik hoor je stem. Je verhaal reikt naar mij.
Als ik mijn hand uitsteek, kan ik het aanraken.


©Kirstin Vanlierde
:::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::

Sapling #1 Komorebi


I hear your voice, but I cannot see you.
Your words are too bright to behold.

Take me by the hand, shroud the glow, shield me.
I will not ask you to paint things prettier than they are. There is no room for lies in this claire-obscure that tenderly, mercilessly, line by line, draws us out.

How insignificant the hairs on my arm. How sharp the scent of old wood and moss.

Perhaps the forest has understood from the beginning, and the truth is simply too painful to face. To stare into the sun is to go blind.
If we perceive it, it is only through a membrane of mercy, a filter willing to spare us and that, by the time it has reached the ground to pin down all rustling echoes under a gilded coat of silence, will make us feel we are being caressed.

I hear your voice. Your story is reaching for me.
If I stretch out my hand, I can touch it.

©Kirstin Vanlierde

donderdag 12 januari 2017

Meer transparantie...

... daar droomt iedereen toch van. Hoewel willen we het allemaal wel weten?
Lees er vooral meer over in Bruzz van deze week:

Een foto die is geplaatst door Jurgen (@jurgenwalschot) op